brandpunt+
brandpunt+

Jeugdinterventies kunnen averechts werken, blijkt uit dossier Kindermishandeling

Door Karen Geurtsen - in Brandpunt+

Voedsel, webwinkels, taxiritten... Alles heeft tegenwoordig een keurmerk. Maar hulpprogramma’s voor kwetsbare jeugd niet, zo hoorden we tijdens ons onderzoek in het dossier Kindermishandeling. "Niemand houdt bij hoeveel interventies er zijn en we weten niet altijd welke werken. Er zijn er bij die averechtse effecten kunnen hebben."

Als kinderen mishandeld worden, blijkt het niet altijd makkelijk om hulp op poten te zetten. Uit eerder onderzoek in ons dossier Kindermishandeling kwam naar voren dat een gebrek aan vertrouwen tussen professionals de samenwerking rondom mishandelde kinderen bemoeilijkt. Een leraar die van een kind hoort dat het geslagen of verwaarloosd wordt, is vaak huiverig om dat kind door te schuiven naar een volgend loket omdat hij niet zeker weet dat het kind daarmee geholpen is. Hulp kan daardoor lang op zich laten wachten.

Een tweede reden waarom hulp uitblijft, is dat mishandelde kinderen vaak simpelweg niet in beeld komen, zo constateerde het Verwey-Jonkerinstituut in 2014. Hun onderzoekers volgden anderhalf jaar lang 211 gezinnen uit de vier grote Nederlandse steden bij wie sprake was van huiselijk geweld. In deze gezinnen leefden in totaal 396 kinderen. Na anderhalf jaar had slechts 40% van de kinderen in deze gezinnen een behandeling gekregen. De andere 60% kreeg geen enkele hulp. En dat terwijl de helft van hun respondenten aangaf dat er nog steeds sprake was van ‘excessief geweld’ in het gezin.

De versnippering van hulp volgens de Gezondsheidsraad

Als het wel zo ver komt dat een kind hulp krijgt, dan is de vraag: welke hulp? De Gezondheidsraad schreef in 2011 op verzoek van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) een rapport over de behandeling van de gevolgen van kindermishandeling. Daarin legt de Gezondheidsraad uit dat er weinig effectieve behandelmethoden zijn voor mishandelde kinderen en dat de hulpverlening versnipperd is. Dat laatste probleem is typisch Nederlands, meent de Gezondheidsraad. Inmiddels zijn we zes jaar en een decentralisatie verder; is dat probleem nu opgelost?

De effecten van VoorZorg

Tijdens ons onderzoek stuiten we op VoorZorg; een programma gericht op het voorkomen van kindermishandeling. Jonge moeders die vanwege risicofactoren, zoals middelengebruik, mishandeling in de eigen jeugd of gebrek aan opleiding een grotere kans lopen dat zij hun kind gaan mishandelen, krijgen vanaf de zwangerschap begeleiding van een speciaal opgeleide jeugdverpleegkundige. De verpleegkundige neemt met de moeder 2,5 jaar lang tijdens huisbezoeken basale opvoedzaken door als niet roken bij het kind, gezond eten en: hoe ga je om met je kind en je omgeving? Het effect is dat kindermishandeling minder voorkomt en de leefstijl van de moeder en het kind gezonder wordt. Dit effect is gemeten en bewezen. De kosten van VoorZorg (13.500 euro) worden afgezet tegen de kosten van trajecten die anders voor de hand liggen, zoals ontheffing uit het ouderlijk gezag à 25.000 euro, uithuisplaatsing van de baby à 40.000 euro of plaatsing in een instelling à 65.000 euro. Een nuttig programma dus, zo lijkt het. Samen met Brandpunt maakten we er een reportage over.

Maar niet alle interventies blijken zo goed onderzocht. Daarbij komt: niet alle gemeenten zetten VoorZorg in. Slechts 60 van de 388 gemeenten bieden het aan. Laten de andere gemeenten jonge risicomoeders aan hun lot over, of zetten zij andere interventies in? De magere scores op de landelijke Monitor Aanpak Kindermishandeling doen vrezen voor het eerste.

Potentieel averechtse effecten

Wat opvalt is dat er eigenlijk niet zoveel andere interventies zijn om kindermishandeling te voorkomen en aan te pakken. Tenminste: we vinden er 16 in de databank die het Nederlands Jeugdinstituut (NJI) voor de ministeries van VWS en Veiligheid en Justitie beheert. Daarin staan alle jeugdinterventies die op effectiviteit onderzocht zijn door een onafhankelijke commissie. De databank bevat in totaal 225 programma's voor hulp bij opgroeien en opvoeden. Deze interventies zijn beoordeeld en erkend als 'goed onderbouwd' of 'effectief'. 16 erkende interventietrajecten voor kinderen die mishandeld worden dus. Maar in een onderzoek van het Verwey-Jonkerinstituut (naar hoe geweld in gezinnen te voorkomen is, 2016) lezen we dat hun onderzoekers 131 interventietrajecten alleen al ter preventie van mishandeling tegenkwamen. In de databank lijkt maar een fractie van de interventies te staan. Hoe zit het dan met al die andere programma’s?

“Als een programma niet in de databank staat, wil dat niet zeggen dat het er niet is of niet werkt,” licht projectleider Gert van den Berg van het NJI toe. ”Het zegt alleen dat we het niet weten. Het is niet onafhankelijk onderzocht of het werkt.” Maar kan zo’n interventie dan ook averechtse effecten hebben? “Ja, een bekend voorbeeld is de Glen Mills School die in 2010 is gesloten. Die leek eerst veelbelovend, maar bleek juist bepaalde problemen erger te maken.” Deze omstreden opvoedschool voor criminele jongeren sloot in 2010 zijn deuren nadat de jeugdzorginspectie zich zeer kritisch had uitgelaten over dubieuze methodes als ‘holding’ (het vastpakken en op de grond duwen van jongeren tot ze rustig waren). De sluiting vond pas plaats nadat de methode 15 jaar was ingezet.

Ook staan er in de database van het NJI interventies die niet erkend zijn. De beoordelingscommissie heeft deze interventies onderzocht en om wisselende redenen niet erkend. Gemeenten kunnen wel doorverwijzen naar deze trajecten, lezen we op de website van zo’n interventie. Is dat verantwoord? En worden ouders en kinderen daarover ingelicht?

"Bij 1200 ben ik gestopt met tellen…"

Het NJI adviseert gemeenten om tegen hun instellingen te zeggen dat ze de 225 erkende interventies uit de database moeten gebruiken. Deze zijn op z'n minst goed onderbouwd, en zo hoeft niet iedere regio het wiel opnieuw uit te vinden. Hoeveel andere jeugdinterventies er door het hele land te krijgen zijn, is volstrekt onduidelijk volgens Van den Berg: “Ik kan het werkelijk niet zeggen. Ooit ben ik begonnen aan een inventarisatie, maar bij 1200 ben ik gestopt met tellen...”

ZonMw, de organisatie die in opdracht van het ministerie van VWS gezondheidsonderzoek financiert en stimuleert, is bezig met een programma om het grote aanbod aan interventies ‘in te dikken’. De voorstudies, waarvoor meer dan 200 interventies op 6 verschillende 'probleemgebieden' geinventariseerd zijn, zijn net klaar. “Ook wij hebben niet alle interventies landelijk in kaart," licht communicatieadviseur Marlies Star toe. “Er komen telkens weer nieuwe bij. Het onderzoek richt zich vooral op de werkzame elementen: de delen van een interventie die bewezen effectief zijn.”

Hulpverleners bepalen nu vaak op basis van hun ervaring en binnen de mogelijkheden die ze hebben welke interventie of training ze wanneer, hoe en hoe lang toepassen. Star: "Het is een zeldzaamheid als een bewezen effectieve interventie precies zo wordt uitgevoerd als deze is bedoeld en dus onderzocht. Door onderzoek weten we al veel, maar we weten niet altijd wat de effecten van de hulp in de praktijk zijn. Tegelijkertijd hebben de huidige ontwikkelingen in de jeugdzorg duidelijkheid daarover des te urgenter gemaakt. We hopen de praktijk met dit onderzoek meer handvatten te geven."

Inspectie: "Wij toetsen de kwaliteit van interventies niet"

Een uitputtend overzicht van interventies lijkt er dus niet te zijn. Houdt er wel iemand toezicht op de kwaliteit en effectiviteit? We vragen het Jeugdzorg Nederland, die verwijst ons terug naar het NJI. Dan maar naar het normenkader voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering waarop de inspecties instellingen afrekenen. Daar lezen we dat ‘methoden en technieken’ een van de elementen is waarop de instellingen worden geïnspecteerd. Op pagina 8 van het normenkader staat dat er geen zogenaamde ‘erkende’ methoden zijn. Maar wel methoden die door de praktijk worden omschreven als ‘werkend’.

Onder deze algemene methoden valt ook de inzet van technieken, behandelingen of interventies. Verderop in de tekst staat een stuk over ‘algemene werkzame factoren’ waaraan moet worden voldaan. Daaronder lezen we: ”De laatste jaren zijn er steeds meer aanwijzingen voor het toevoegen van de volgende werkzame factor aan deze lijst:
• routinematig monitoren van de effectiviteit van de methode.”

Een woordvoerder van de Inspectie Jeugdzorg bevestigt dat zij niet specifiek naar interventies kijken: “Wij controleren instellingen op het praktische vlak: is er een vertrouwenspersoon? Heeft iedereen een VOG? Is er een systeem om de kwaliteit te controleren? Wij toetsen niet de kwaliteit van interventies. We gaan er wel vanuit dat instellingen gebruik maken van geschikte, en liefst als effectief bewezen interventies en methodieken.”

Wat betekent dit?

Doen instellingen dat laatste: gebruiken ze bewezen interventies? Of wordt er (vooraf) niet gekeken naar de effectiviteit? Is er sprake van monitoring? Of kunnen cowboy-interventies met potentieel averechtse effecten -zoals de Glen Mills school- nog steeds ingezet worden? En is dat erg? We onderzoeken het verder de aankomende tijd en vragen gemeenten of zij hun interventies in beeld hebben.

Heb je zelf (professioneel) ervaring met interventies? Of andere tips voor ons op dit gebied? Mail dan naar reporter2021@kro-ncrv.nl.